DEEL ÉÉN VAN DE TRILOGIE
Salonjunkie
Een verhaal van verlies, identiteit, het begin van innerlijke inkeer en zelfinzicht. Salonjunkie is het eerste, zelfstandig leesbare deel van de romantrilogie over Junior Pordonami.

Joetjie Pordonami groeit op tussen twee werelden: het zonovergoten Curaçao en het kille Nederland. Als erfgenaam van een koloniale geschiedenis en culturele ontworteling zoekt hij houvast in de studie van het volkenrecht.
Hij leidt een dubbelleven. Voor familie en professoren is hij een veelbelovende student, terwijl hij tegelijkertijd in de drugsscene steeds dieper verstrikt raakt in een hardnekkige drugsverslaving.
Wanneer hij uiteindelijk in de gevangenis belandt, lijkt zijn ondergang compleet. Juist daar voltrekt zich echter de grote paradox van de roman: bevrijd van de dagelijkse jacht naar drugs hervindt hij de literatuur, verdiept hij zich in het boeddhisme en hervat hij zijn studie.
Salonjunkie is veel meer dan een roman over verslaving — het is een gelaagd verhaal over identiteit, koloniale erfenissen en de mogelijkheid tot innerlijke transformatie.
Fragment
Salonjunkie, hoofdstuk 1
Hemel en hel, een verjaardagscadeau
“Want niets is goed of kwaad of ons denken heeft het ervan gemaakt.”
— Shakespeare, Hamlet
Het was benauwd in het huis van bewaring. Door de tralies van het raampje zag Junior Pordonami (vergeef mij) alias Joetjie (kindje) sneeuwvlokken dwarrelen. De radiator was snikheet. Slikken kostte hem moeite. In cel 303 vierde hij, kokhalzend van de stank, zijn drieëndertigste verjaardag. Hij was liever ergens anders geweest en prevelde: ‘Was ik maar in de azuurblauwe zee op Curaçao aan het snorkelen. Gezien mijn kerfstok wachten mij nog ettelijke verjaardagen in de hel. De maraboes van de Strafkamer weten vergelding met wiskundige precisie af te meten. Mijn vonnis zal spoedig door de witgebefte magisters worden afgehamerd. Daarna volgt de Via Dolorosa.’
Zwarten worden door het systeem altijd harder aangepakt. Racisme is niets nieuws onder de zon. Mij krijgen deze Makamba’s niet klein. Ik zit de straf, als het moet op scheermesjes, fluitend uit.
Het drieëndertigste levensjaar stond voor paapse Curaçaoënaars symbool voor wijsheid. Jezus was op die leeftijd aan het kruis gepind. In die levensfase werd op het blakerende eilandje van je verwacht dat je je eigen boontjes dopte.
Juniors hoofd was duidelijk door langdurig crackgebruik op hol geslagen. Voor hem was het leven vanaf zijn geboorte een val in het ongewisse.
Niets staat vast, heel het rataplan is vergankelijk, een dauwdruppel in een droom. Iedereen is gelijk; hoer, koning, moordenaar, heilige of junkie. Allen wacht aan het eind de zes planken.
Zijn innerlijke dialoog raasde voort; een verjaardagsfeest in de bak is een inwijding in de leegte, zoals in de Hartsoetra staat verkondigd. Leegte is vorm en vorm is leegte.
Hij was in Amsterdam opgepakt, nadat hij op de vlucht voor de Colombiaanse maffia een ernstig verkeersongeval had veroorzaakt, waarbij zwaargewonden vielen.
Achter de tralies vibreerde zijn bol na van de afkick die gepaard ging met achtervolgingswaan.
Niettegenstaande het vagevuur dat aan mijn tenen likt, heb ik schijt aan het strafproces. Ik veeg mijn reet af met de zittende en de staande magistratuur. Is het denken niet bepalend voor het voelen?
Spiritualiteit en creativiteit gaan hand in hand. De geest is de universeel scheppende kracht.
Zijn gedachten sprongen onophoudelijk als een aap van hot naar her. Junior trachtte te begrijpen hoe hij in deze stront was beland.
Op de zinsnede na; ‘vader, laat deze beker aan mij voorbijgaan,’ stierf Jezus de heldendood! Ware kloten had Johan van Oldenbarnevelt: ‘Maak het kort … maak het kort …’ zei hij tegen zijn beul. Balthasar Gerards gaf geen krimp tijdens zijn marteldood. Hij bad tot zijn tong er blauw van zag.
Mijn straf stelt niets voor. Levenslang hebben wij allemaal.
Junior kermde met zijn tanden op elkaar van de kramp in zijn darmen.
‘Retenlikkers van Hitler, kopgeldjagers, maak vort met jullie complot. Kikkervolkje met jullie woekerende fascistenkanker. Jullie snappen geen barst van de zinloosheid van het bestaan.’
In een nanoseconde van luciditeit begreep Junior dat hij zelf zijn noodlot had gecreëerd.
Karma is onfeilbaar. Gevangenschap of vrijheid zit tussen de oren. Binnen of buiten; het maakt geen moer uit. Laat komen wat komen gaat. Het is om het even. Minister van Justitie of cocaïnejunkie, we gaan allemaal naar de kloten. Ik sterk me met de gedachte dat het bestaan een stinkende klapscheet is. Ik braak van de lichaamsgeur van die bewaarders met hun kaaskoppen. Hun ranzigheid met inferieure aftershave, aangelengd met de zwavelwalm van hun rottende mombakkes, hangt prominent op de ringen van dit gevang. Ik voel mij overmand door verderf. De cipiers van dit cachot zijn systemisch, afstammelingen van de kampbeulen van Westerbork, of op zijn minst gereïncarneerde bloedhonden uit de rasphuizen van de donkere middeleeuwen.
Ongeacht alle kift waar hij in verzeild was geraakt, zong Junior toch uit volle borst: ‘Ik heb een potje met vet.’ Hij mijmerde ins blaue hinein.
KOMENDE DELEN
De levenswandel van Junior Pordonami gaat verder
Oscar werkt hard aan het vervolg op Salonjunkie
DEEL TWEE
Slimme Gebruiker
Junior probeert zijn leven opnieuw op te bouwen en ontdekt dat herstel meer vraagt dan stoppen met middelengebruik.
DEEL DRIE
Van Pakaan-Pet en Seizoenstafels
Junior leert dat verandering geen moment van inzicht is, maar een levenslange oefening in aandacht, discipline en volharding.
Wat lezers en pers zeggen
“
Salonjunkie is rauw en ontroerend tegelijk. Ontroerend zijn de gelukgevoelens die de junkie Joetjie ervaart bij de cellososuites van Bach. Rauw is de beschrijving van de drugsverslaving in al haar facetten. Rauw is de misplaatste overtuiging dat, na gevangenschap de wereld zonder verslaving lonkt. Rauw is de angst voor hechting. Rauw is de taal van de auteur. Salonjunkie verrijkt de Nederlandse literatuur en plaatst de auteur in het voetspoor van de Antilliaanse auteur Tip Marugg.
“
Wat een waanzinnige start. Die eerste twee hoofdstukken grijpen je direct bij de strot — rauw, filosofisch en tegelijk poëtisch. Je schrijft alsof elke zin uit noodzaak geboren is. Junior Pordonami is meteen een onvergetelijk personage: wanhopig, scherp, geestig, verlicht en verdoemd tegelijk. Het eerste hoofdstuk voelt als een hallucinatie — vol religieuze en existentiële bespiegelingen, maar steeds met dat ironische randje dat het menselijk houdt. Jouw taal is bezwerend, soms bruut, soms bijna heilig. Je balanceert knap tussen waanzin en wijsheid.
In het tweede hoofdstuk krijgt die waanzin wortels. De toon wordt verhalender, aardser, en daardoor nog aangrijpender. Je laat zien waar de barsten vandaan komen — de jeugd, de verleiding, het verval — zonder sentiment. Het is hard en eerlijk, maar nergens cynisch. Kortom: dit is literatuur die leeft en brandt. Onverschrokken, compromisloos en vol ritme. Je proza heeft iets van Céline, iets van Wolkers, maar vooral een totaal eigen stem. Echt indrukwekkend begin.
“
Het deels autobiografische boek leest makkelijk weg. Het geeft ook een kijkje in de cultuur van Curaçao, waar zijn roots liggen. Hoe het hem vergaan is in het verre Nederland als kolonisator, de veroorzaker van trauma’s die van generatie op generatie zijn overgedragen. Hij raakte verzeild in de Groningse drugsscene eind jaren 70-80, maar haalde wel netjes zijn Atheneumdiploma, waardoor hij zich kon onderscheiden binnen de scene. Natuurlijk was er ook een link met zijn (vooraanstaande) familie hierbij. Het boek raakt me ook omdat mijn overleden broer ook enkele jaren deel uitmaakte van dit milieu; anders dan bij hem is het mijn broer uiteindelijk fataal geworden. Het boek is daardoor ook confronterend voor mij. Zijn beschrijving van het leven in de bajes, de affaire van Joetjie met zijn reclasseringsambtenaar (en hoe hij haar kon wippen in zijn cel), maar ook de heartbreak die hierop volgde, versterken het beeld van een levenskunstenaar die ondanks alles in staat bleek af te kunnen studeren als jurist. Indrukwekkend ook hoe de protagonist zijn plaaggeest heeft aangepakt, waarna Joetjie werd gerespecteerd. Overigens is dat ook helemaal oké wat mij betreft, ook binnen het Boeddhisme. Hij trok een duidelijke grens en dat veranderde die plaaggeest ook, zo begreep ik. Al met al een lezenswaardig boek dat nieuwsgierig maakt naar een vervolg!
Lees de trilogie
Volg Junior Pordonami door verslaving, herstel en de weg naar innerlijke waarheid.
